2-Een specifiek vogel-kapsel van een Senufo vrouw. Foto   Hans HImmelheber-

Deze tekst gaat niet over de Graafschap, maar over de Senufo, een bevolkingsgroep die leeft in het grensgebied van Ivoorkust, Bourkina Faso en Mali, in een droge regio van de Sahel. Het klimaat is onbarmhartig. Het is heet en veel regen valt er niet. Het vereist grote kundigheid om hier van het land te leven. De Senufo-boeren hebben die vaardigheid en weten die ook te waarderen. Om de kwaliteit ook bij jongeren aan te kweken worden jaarlijks wedstrijden gehouden: welke jongeman kan het best zijn land bewerken?  Het gaat daarbij om kracht, snelheid, doorzettingsvermogen en samenwerking. De kampioen krijgt een zeer eervolle prijs, een lange waardigheidsstaf, bekroond met een strak gesneden afbeelding van een mooie, jonge, ongetrouwde vrouw. Een kampioensboer staat tenslotte in hoog aanzien bij de huwbare meisjes. De staf (door de Senufo daleu genoemd) houdt een belofte in van een huwelijk, kinderen, de uitbreiding van de clan, en vruchtbaarheid. Het Wereldmuseum bezit een prachtig voorbeeld van zo’n ere-staf, te zien op de tentoonstelling AFRIKA 010.

superboeren

Superbeeldhouwers

De Senufo kennen niet alleen superboeren, maar ook superbeeldhouwers. Ze hebben een opvallende, herkenbare stijl in hun beelden en maskers. Zeker niet éénvormig, wel heel uitgesproken. In de tentoonstelling AFRIKA 010 staan enkele zeer verwante Senufo-stukken dicht bij elkaar: een helmmasker met een ruiterfiguur, een beeld van een moeder met kind, en de genoemde waardigheidsstaf. Kijk maar goed, je ziet de gelijkenis vooral in de gestileerde manier waarop gezichten zijn weergegeven, een ver vooruitspringende kaaklijn, strak gesneden gezicht, puntig uitlopend, prachtige lijnen, sierlijk, elegant, meesterlijk gedaan. De lijf en de bovenarmen zijn lang, de onderarmen en de benen zijn kort, het hoofd is groot, maar alle lijnen en volumes zijn in perfecte balans. Niet voor niets kwam de bewondering voor Senufo beelden snel op gang kwam in Europese artistieke kringen, sinds ze rond 1880 in Europa opdoken.

Wie zijn de makers?

Wie zijn de Senufo nu eigenlijk? Het gaat niet om een grote groep, slechts zo’n 2 miljoen mensen. Ze wonen vooral in dorpsgemeenschappen. Elk dorp is weer verdeeld in wijken, die verdeeld zijn in verschillende beroepsgroepen. Sommige groepen hebben ene verschillende oorsprong en spreken soms zelfs verschillende talen. Het is een multi-culturele samenleving, maar iedereen beschouwt zichzelf wel als Senufo. De meeste Senufo zijn boer, die wonen bij elkaar. Twee beroepsgroepen maken houten beelden: De Fonobele, de smeden, maar vooral de Kulebele, de houtsnijders. Het is dus in elk geval werk van specialisten.

Een belangrijke periode in het leven van de Senufo is de overgang van kind naar volleerd volwassene. Dat langdurige proces, dat in fasen doorlopen wordt, wordt voor jongens zorgvuldig begeleid door het zogenaamde Poro-genootschap, voor meisjes door het Sandongo genootschap. In de Poro genootschap speelde het moeder-en-kind-beeld een rol.

De Oude Moeder

Het moeder-en-kind beeld wordt door de Senufo omschreven als de ‘Oude moeder’. Ze wordt gezien als het hoofd van de Poro, vertegenwoordigt het vrouwelijk element in de schepping. Ze is de spirituele moeder van alle jongens die de Poro-initiatie doorlopen, en daarmee in zekere zin de moeder van de gehele gemeenschap. Een afbeelding van de Oude Moeder wordt getoond aan de kandidaten tijdens hun leerproces. Ze laten hun biologische moeder achter, ze gaan naar een afgesloten kamp en leren allerlei nieuwe zaken, voorbehouden aan volwassenen. Als de initiatie voltooid is, worden ze symbolisch opnieuw geboren. Ze zijn nu gevoed door ‘de melk van kennis’ van de Oude Moeder. Het moeder-en-kind beeld is dus niet zomaar een teder tafereeltje: het zogen van het kind symboliseert de overdracht van kennis aan de geïnitieerde. Senufo: superboeren met diepgang, en fantastische kunstenaars.

Foto: De zwart wit afbeelding is afkomstig uit een boek. Published in: Himmelheber (Hans), “Negerkunst und Negerkünstler”, Braunschweig: Klinkhardt & Biermann, 1960